woensdag 6 mei 2020


Fryslân’s soan 4 -  Alde Foekje fan Heech

Pieter Jelles had in Stiens kennis gemaakt met de Friese taal. Zij gevoel voor het Fries en daar daadwerkelijk iets mee te gaan doen werd versterkt toen hij Onno Sytstra, een jonge onderwijzer, leerde kennen. Onno was de zoon van Harmen Sytstra, ook onderwijzer, die zich had ingezet voor de Friese taal en literatuur. Deze man was een zeer strijdbare man geweest en was één van de oprichters van het Frysk Selskip voor Fryske taal en skriftkennis.

Hij werd als schrijver en dichter zeer gewaardeerd. Zijn werk steeg hoog boven de middelmaat uit, maar was wel volksaardig. Deze man sprak Troelstra sterk tot zijn verbeelding. Sytstra’s zoon Onno trad in zijn vaders voetsporen, maar kon niet het niveau van zijn vader behalen. Zowel Onno alsook Pieter Jelles schreven beiden gedichten en lazen die aan elkaar voor.
Beide jongelingen waren allesbehalve tevreden met het peil van de Friese literatuur en besloten daarom een dichtbundel uit te geven die de titel ‘It Jonge Fryslân’ moes krijgen. Ook andere jongeren moesten daar aan meewerken. Zo kwam Pieter Jelles in contact met Oebele Stellingwerf, die ook een gedreven strijder was voor sociale gerechtigheid, algemeen kiesrecht, geheelonthouding en antimilitarisme.
Ook sloot o.a. de later zeer bekende schrijver Tjalling Eeltjes Halbertsma zich bij hen aan. De uitgave van de dichtbundel werd verwezenlijkt.



Pieter Jelles bestede nu al zijn tijd aan de Friese cultuur en aan zijn eigen dichtwerk. Dit resulteerde in de publicatie van zijn gedichten in verschillende bladen.
In 1881 begon hij ook Friese voordracht avonden te verzorgen. Hij noemde dit ‘Simmerjûnenocht’. Een soort tegenhanger van Waling Dijkstra zijn ‘Winterjûnenocht’.
Voor de pauze werden er gedichten voorgedragen en na de pauze betrad Pieter Jelles als Alde Foekje fan Heech het podium. Met de waarzeggerij van zijn alter-ego Foekje had hij veel succes. Hij kleedde zich in vrouwenkleren, meestal Fries kostuum, en voorspelde in de dorpsherbergen aan jonge vrouwen hun toekomst nadat hij de lijnen in hun handen uitgebreid had bekeken. Vooral de mooiste meisjes trokken zijn aandacht.
Maar hij schoot ook wel eens een bok toen hij één van de dames waaraan niet te zien was dat ze al lang getrouwd was, een zeer kinderrijk huwelijk voorspelde. Echter de vrouw was al jaren getrouwd en wachtte al jaren tevergeefs op kinderen.
Maar ook gebeurde het dat hij de toekomst een handje hielp. Dan zei hij tegen een meisje dat ze die avond nog een vrijer aan de deur kon verwachten. Een voorspelling die uitkwam omdat hij die zelf uit liet komen.

Link lied 'Alde Foekje fan Heech': https://youtu.be/To2QXBIjavY

Wordt vervolgd : zaterdag 9 mei de volgende aflevering – De brek

maandag 4 mei 2020


Fryslân’s soan 3 -  Unbesoarge

Pieter Jelles Troelstra werd geboren op 20 april 1860 in Leeuwarden als zoon van Jelle Troelstra en Grietje Landmeter. Het gezin behoorde toentertijd zeker tot de midden- zo niet tot de hogere klasse. Vader Jelle was een man die zichzelf ontwikkelde en het tot ontvanger van de belastingen bracht. Het gezin kende zeker geen armoede. Vader Jelle was een vooraanstaand liberaal, lid van de gemeenteraad, wethouder en lid van de provinciale staten. Daarnaast schreef hij in Friese kranten en tijdschriften en publiceerde gedichten in de Friese taal. Moeder Grietje was een opgewekte en intelligente vrouw, maar lichamelijk was zij zwak. Zij is dan ook maar 34 jaar oud geworden.

Toen Pieter Jelles 9 jaar was verhuisde het gezin naar Stiens waar zijn vader een nieuwe baan had gekregen bij de belastingen. Als stadsjongen moest Pieter Jelles zijn uiterste best doen om er bij te mogen horen. Hij leerde daar een heel andere wereld kennen. Deze wereld bestond uit weidse landen waar je heerlijk kon dwalen; het echte plattelandsleven. En Pieter Jelles maakte zich er het Fries zich snel eigen en ging Friese boeken lezen.
Maar hij nam ook voor het eerst in zijn leven de schrijnende tegenstellingen tussen de standen waar (boer – arbeiders).
Hij sloot zich aan bij de dorpsjongens die in het voorjaar over de sloten sprongen en eieren zochten. Hij haalde kattenkwaad uit en kreeg vaak van zijn strenge vader een pak slaag. Al met al was zijn Stienser tijd een onbezorgde tijd.
Met één zware schaduw, namelijk het overlijden van zijn moeder in 1871, die leed aan tuberculose.
In 1875 moest het gezin vanwege het werk van vader Jelle weer in Leeuwarden wonen. Na zeven jaar verliet Pieter Jelles Stiens, jaren waarin hij veel indrukken opdeed en die veel invloed op de vorming van zijn persoonlijkheid hebben gehad.
Het lied Unbesoarge kun je hier beluisteren en downloaden: https://youtu.be/mv92czLBVFA

Wordt vervolgd: donderdag 7 mei de volgende aflevering – Alde Foekje fan Heech

zaterdag 2 mei 2020


Fryslân’s soan 2 -  Arbeider anno 1860

Pieter Jelles Troelstra werd geboren op 20 april 1860 in Leeuwarden. Het gezin Troesltra behoorde toentertijd zeker tot de midden- zo niet tot de hogere klasse toentertijd.

Rondom 1860 zet de industrialisatie in Nederland eindelijk door. Met deze ontwikkeling groeide het aantal verpauperde arbeiders, dus ook kinderen, en de sloppenwijken. Deze ontwikkelingen zorgden voor nieuwe reacties op armoede. De liberalen wilden af van de beperkingen die de economie teveel regelden: een vrije markt zou de economie ten goede komen en vervolgens het probleem van de armoede oplossen. Dit bleek niet te werken. De rijken verrijkten zichzelf en in het bijzonder de rijke industriëlen hadden belang bij werknemers die niet teveel eisen konden stellen.

In de steden woonden de arme families in de stinkende sloppen vol ongedierte. De open riolen veroorzaakten regelmatige uitbraken van cholera-epidemieën. De rijken kwamen niet in deze achterafbuurten en wisten niet veelal hoe erg het was. De meesten hadden daar ook geen behoefte aan. Armoede was nu eenmaal een onderdeel van het leven en de armen moesten hun plek kennen en verder hun mond houden.



Datzelfde gold voor arbeiders die op het platteland woonden. Wat te denken aan de veenkolonies waar arbeiders min of meer als slaven geketend waren aan de veenbazen. Men kon geen kant op en had zeker geen uitzicht op een beter bestaan.

Werkgevers die zich wel iets aantrokken van de armoedige omstandigheden van hun arbeiders, deden dat meestal uit praktische overwegingen. Sommige bedrijven bouwden voor hun personeel huizen met lage huren in de buurt van de fabriek. Betere huisvesting hield de arbeiders gezond en daarnaast konden ze in de gaten worden gehouden.

Armoede moest dus in zekere maten beteugeld worden maar vooral om de economie draaiende te houden. Dit was tegen het zere been van de Socialisten. Zij wilden geen liefdadigheid of paternalistische werkgevers maar banen voor de arbeiders. Zij kregen aan het eind van de 19e eeuw steeds meer aanhangers. Zij hadden ook kritiek op de religieuze armenzorg vanwege de betutteling van de armen.

Pieter Jelles werd kortom geboren in een tijd met veel armoede onder arbeiders: keihard werken, lage lonen, geen rechten enkel plichten, grote gezinnen, uitzichtloosheid, drankmisbruik, gedwongen winkelnering en ga zo maar door.
Als arbeider anno 1860 leefde je om te werken en te doen wat je werd gezegd.
Lied 'Arbeider anno 1860': https://youtu.be/KN4_cI79rsk

Wordt vervolgd: dinsdag 5 mei de volgende aflevering – Unbesoarge

vrijdag 1 mei 2020


Fryslân’s soan 1 -  Inleiding

Het is niet voor niets dat vandaag op de 1ste mei, de dag van de arbeid, de eerste aflevering  van het liedjesprogramma ‘Fryslân’s soan’ online komt. Maar laten we eerst eens beginnen hoe ik op het idee kwam en wie nu eigenlijk de bedenkers en uitvoerders zijn.

Een tijdje geleden bestelde iemand bij mij de CD “Fryslân’s soan” van de Wim Beckers Groep. Op deze, in 1987, uitgebrachte LP en CD staan ook de liedjes uit het programma “Fryslân’s soan”, over leven en werk van de Friese dichter en staatsman Pieter Jelles Troelstra. Normaal gesproken beluister ik eigenlijk zelden of nooit mijn eigen uitgebrachte muziek, maar deze liedjes had ik een hele tijd al niet gehoord. Al luisterend kwam ik op het idee om een serie blogs te schrijven over dat programma met een viseo er bij van de liedjes. Eigenlijk het toenmalige programma opnieuw uitvoeren, alleen nu digitaal. Zo gezegd en zo gedaan. In deze eerste aflevering een korte beschrijving over de Wim Beckers Groep.

In 1981 maakte ik mijn debuut als Fries(talig) volkzanger op het folkfestivial 'Frentsjip' te Franeker. De reacties waren dusdanig positief dat ik besloot door te gaan op het ingeslagen pad van de Friestalige volksmuziek en het top-40 werk, waar in ik tot dan aan toe actief was geweest, vaarwel te zeggen.
Spoedig maakte ik kennis met accordeonist, gitarist en banjospeler Cees Bouma uit Leeuwarden. Als duo trokken wij door de provincie, maakten radio opnames bij Omrop Fryslân en traden op op diverse festivals. Eén van die festivals was het Straatfestival te Leeuwarden. In juli 1982 vroeg dwarsfluitist Bart Wijnen, eveneens afkomstig uit Leeuwarden, of hij eens mee mocht spelen. Deze samenwerking beviel zo goed, dat besloten werd gedrieën door te gaan.


Het aantal optredens groeide gestaag, zeker toen bijna geheel Nederland tegen de kernbewapening demonstreerde. Het repertoire van ons drieën sloot naadloos aan bij deze onlust gevoelens. Dat het ons voor de wind ging, werd ook opgemerkt door platenmaatschappij Universe van Wobbe van Seyen. Deze bracht in 1983 de eerste LP, onder de titel Bart, Wim & Cees op de markt. De recensies waren prima en de verkoop verliep goed, zeker door de vele optredens die wij afwerkten.

Maar de aspiraties gingen verder. Vooral vocaal wilden we de mogelijkheden verder uitbouwen en werd Marijke Feenstra (geboren en getogen in Witmarsum) gevraagd om zich bij ons te voegen. Onze stemmen pasten prima bij elkaar. Maar ook muzikaal werd er verder gebouwd. Met de komst van Jan Ottevanger als bassist/tubabespeler, was de Wim Beckers Groep pas echt compleet
Er werd ook een begin gemaakt met een liedjes programma, thematisch ditmaal. Hoofdpersoon was Pieter Jelles Troelstra, Fries dichter en staatsman met een enerverend leven wat genoeg inspiratie boven bracht om een programma van te maken. Ik was niet alleen van huis uit (ik kom uit een zgn. rood gezin) in de ban geraakt door de persoon van Troelstra, maar ook door het toneelstuk ‘Triljende ierde’ waar de Friese acteur Freak Smink een onvergetelijke Troelstra neerzette. De teksten waren van mij, terwijl Cees, Bart en ik gedrieën voor de muziek tekenden, wat overigens ook al bij de eerste LP het geval was geweest. Let vooral eens op de schitterende arrangementen die Cees en Bart schreven!

Ook dit programma werd op LP uitgebracht en wel in 1987. Op 9 januari 1988 maakt de groep zijn tv-debuut bij de NCRV. Omdat het uitkomen van deze LP samen viel met de opkomst van de CD, werd de LP in 1993 ook op CD uitgebracht
Het uitkomen van deze CD was tevens de afsluiting en het einde van één van Frieslands bekendste folkbands. De Wim Beckers Groep had meer dan 10 jaar diverse podia in binnen en buitenland (o.a. Denemarken) afgereisd. Wat rest zijn goede herinneringen waarvan 2 LP's en 2 CD’s de getuigen van zijn.
Om alvast in de stemming te komen een korte samenvatting, zeg maar kakafonie van de liedjes uit het programma. Maar wees gerust in de volgende 9 afleveringen kun je alle leidjes apart beluisteren en downloaden als je dat wilt. https://youtu.be/49PKsVvxrVQ

Ter nagedachtenis aan Bart Wijnen (13/2/1957 – 31/8/2015)

Wordt vervolgd: zondag 3 mei de volgende aflevering: Arbeider anno 1860

woensdag 15 april 2020


Het Café van Tante Leen
In mijn vorige blog kondigde ik min of meer al aan dat ik verslag zou doen van mijn visite met mijn grootvader aan Café Royal aan de Nieuwendijk. In de volksmond beter bekent als het café van Tante Leen. Tijdens één van mijn logeerpartijen bij mijn grootvader en tante Katrien, moesten en zouden wij een bezoek brengen aan eerder genoemd café, niet alleen om plezier te hebben, maar ook om te genieten van optredens van Tante Leen en Johnny Jordaan. Persoonlijk zat ik er toen niet echt op te wachten, maar goed je bent jong en je moet wel eens het één en ander. Volgens tante Katrien zou dit zeker een positieve uitwerking hebben op mijn pedagogische en muzikale ontwikkeling. Het zal dacht ik.
Maar wie zijn nu eigenlijk Tante Leen en Johnny Jordaan? Tante Leen trad pas op 43-jarige leeftijd voor het eerst op. Daarvoor verdiende ze de kost als schoonmaakster. Kennissen van haar schreven haar in voor een talentenjacht die platenmaatschappij Bovema had uitgeschreven om de Beste Stem van de Jordaan te vinden. Ze behaalde de tweede plaats achter Johnny Jordaan. Tante Leen trad vaak op samen met haar goede vriend Johnny. Haar grootste hit had ze met het nummer Oh, Johnny, dat gericht is aan Johnny Jordaan. Zij beëindigde haar zangcarrière in 1975 en bracht de laatste jaren van haar leven door in een verzorgingshuis. Op 5 augustus 1992 overleed zij.
Johnny Jordaan werd geboren in de Amsterdamse Jordaan, was een volle neef van Willy Alberti (vader van Willeke). Vanaf hun achtste zongen de twee neven samen op straat en in cafés liederen. De naam Johnny Jordaan gebruikte hij vanaf zijn veertiende, toen hij in zijn vrije tijd bleef zingen. Omdat hij een talentenjacht won mocht hij een single uitbrengen. De Parel van de Jordaan met op de B-kant Bij ons in de Jordaan De single verbrak alle records en hij was opeens een nationale beroemdheid. Op 8 januari 1989 overleed hij op 64-jarige leeftijd. In 1994 werden voor Johnny Jordaan en Tante Leen borstbeelden opgericht op het pleintje aan het begin van de Elandsgracht.


Maar goed, op een zomerse avond trokken mijn grootvader, tante Katrien en mijn persoon richting Nieuwendijk waar tante Leen haar café gevestigd was. De muziek hoorde je al van ver en welde behoorlijk aan toen wij door de open staande deur gingen. Ik was nog maar net binnen of was al verwikkeld in één of andere polonaise, waar geen ontkomen aan was. Ik was beland in een hok vol met luid kakelende ouwe mensen die, onder het genot van een drankje(s), de meeste lol schenen te hebben. En dan die muziek! Ik was van de beatmuziek en dus paste dit genre allesbehalve in mijn straatje.
Eén of andere man stond achter de bar, terwijl ik daar toch Tante Leen had verwacht. Maar na een klein half uurtje verschenen Tante Leen en Johnny Jordaan vanachter de tap. Een oorverdovend gejuich steeg op! Tijdens hun opkomst werd luidkeels de evergreen ‘Bij ons in de Jordaan!’ gezongen. Nimmer had ik zo’n uitzinnige groep mensen mee gemaakt en ik stond er middenin. Het ene na het andere Mokumer lied werd met veel overtuiging en emotie door beiden naar voren gebracht. En de aanwezigen smulden, terwijl ik moest denken aan de hit van Johnny Hoes ‘Och was ik maar bij moeder thuisgebleven!’. 
Maar ja daar was het nu te laat voor. Het werd al met al een wonderbaarlijke avond, zo zag ik mijn grootvader bewegingen maken waartoe ik hem (hij was een vrij gezette man) nooit toe in staat had geacht. Hij kon zelfs zingen! Na enkele uurtjes gingen wij weer huiswaarts, waarbij mijn grootvader mij vroeg: “Wat vond je er van?”, waarop tante Katrien alvast antwoord voor mij gaf: “Die jonge heb genoten!”. Het zal dacht ik.
Een aantal keren per jaar komen wij in Amsterdam. Al ben ik dan ook Feyenoord fan, ik heb gewoon een zwak voor die stad. Dan wandel ook weer door de Jordaan en denk dan terug aan mijn café bezoek wat ik toen vervelend vond, maar nu als een dierbare herinnering koester.

Twee linken naar Tante Leen en Johnny Jordaan:

dinsdag 7 april 2020

Sons of Adam & The Triffits

Je zult je misschien afvragen wat de ‘Sons of Adam & The Triffits’ zijn. Als je dat wilt weten neem ik je mee naar het Amsterdam in 1967.

Mijn grootvader Feike woonde toen met zijn tweede vrouw, Tante Katrien, een echte Jordanees, in Amsterdam. Ja, en een echte Jordanees woont natuurlijk in Amsterdam en dus maakte mijn grootvader de switch van het dorp Arum naar de wereldstad Amsterdam.
Ik vond dat geweldig interessant, want zeker in de sixties was Amsterdam ‘the place to be’. Een paar jaar achtereen ging ik in de zomervakantie bij mijn grootvader logeren.

Maar voordat ik af kom reizen naar mijn vakantiebestemming, moest ik eerst natuurlijk vakantiewerk doen. In mijn geval bij mijn buurman Luitsen Feenstra die o.a. tulpenbollen verbouwde. Van het verdiende geld kocht ik die zomer een zgn. koffer pick-up. Een platenspeler van Philips, waarbij de speaker verwerkt was in het kofferdeksel.
Ik kreeg er een LP bij van The Schorpions met o.a. ‘Hello Josephine’. Zelf kocht ik er een single bij van The Hepstars (met de twee mannelijke leden van het latere Abba) met ‘Sunny Girl’. Ik kwam er al snel achter dat het kopen van platen best een dure hobby was.
Maar het kon ook anders, want toe ik die zomer met mijn grootvader het (oude) Waterloplein bezocht lagen daar 10 singles voor 5 gulden! Nou die vond je niet in de muziekzaak van Roukema in Harlingen.

Er was wel een klein nadeeltje, want de singles waren vacuüm verpakt per 10 zodat je alleen kon zien wat de bovenste en de onderste single was. Omdat boven op één stapel een single lag met een leuke hoes nam ik die stapel van 10 mee.
Het was de hoes van de single ‘Stay’ van de The Triffits. The Triffits waren een band uit Amsterdam-Oost (net als Wally Tax & The Outsiders) halverwege de jaren zestig toen er in het hele land veel "beatgroepen" waren. Ze brachten een single uit in 1966. Het is een zeer zeldzame. Dit nummer heet "Stay" en het is de keerzijde voor "Too much monkey-business".

Toen we thuiskwamen haalde ik de vacuümverpakking van de singles af en kwam zo ook de single ‘Tomorrow’s gonna be another day’ van The Sons of Adam tegen. The Sons of Adam, oorspronkelijk een surfrock en instrumentale groep uit Amerika, werd in 1962 opgericht. Halverwege de jaren zestig werd de band een vaste waarde in de Sunset Strip-muziekscene. De band bracht verschillende singles uit. Het repertoire van de band werd volledig gedomineerd door surfinvloeden. Ik was in mijn nopjes meet die beide singles, die ik overigens beiden nog steeds heb.

En die overige acht dan? Nou om eerlijk te zijn heb ik daar geen één meer van. Ik vraag me zelfs af of ik ze überhaupt wel heb meegenomen naar Friesland. Want op ‘Het hijgend hert der jacht ontkomen’ en het door de Zangeres zonder naam gezongen: ‘Achter in het stille klooster’ waren nou niet direct liedjes waar ik warme gevoelens bij kreeg.
“Nee”, zei tante Katrien in het plat Amsterdams, “dat begrijp ik wel jonge. We nemen je deze vakantie mee naar een plek waar echt goeie muziek wordt gemaakt! We gaan naar de kroeg van Tante Leen! En misschien is Johnny (Jordaan) er ook wel! “
Toen wist ik het al: het hijgend hert mocht dan aan de jacht ontkomen zijn, maar aan deze jacht zou ik niet ontkomen. Maar daarover later meer.

Links:
Sons af Adam: https://www.youtube.com/watch?v=VSGb2Zmi0vk

woensdag 5 februari 2020


Grootvaders klok
Mijn Grootvaders klok was een deftige klok
Met haar uurwerk zo goed en secuur
En zij liep zo geregeld, want al negentig jaar
Verkonde haar stem reeds het uur

Dat zijn de eerste vier regels van het lied ‘Mijn Grootvaders klok’ wat in de jaren 50 een hit was van de bekende Nederlandse zanger Max van Praag. Het lied werd geschreven door de Amerikaan Henry Clay Work [1832-1884] en werd vertaald door Johan uit den Boogaard.
Ik moest aan dit lied denken toen ik vorige week mijn berging aan het opruimen was en een oude foto van mijn (over)grootsvaders klok vond. Mijn overgrootvader, Anne Bergsma (1868-1962) was landarbeider, maar repareerde en maakte daarnaast in zijn vrije tijd (evenals zijn zoon en dus mijn grootvader) zelf klokken.
De klok die jullie op de foto zien is wel zijn meesterwerk. Van bij elkaar gespaard eiken hout en botjes van vee, maakte hij de Arumer kerk als klok. Mijn overgrootvader werd geboren in Arum en heeft daar het grootste deel van zijn leven gewoond.
De klok was drie meter hoog en paste net in de woonkamer. Het knappe van dit enorme bouwwerk is dat het niet alleen een klok is, maar ook inzicht geeft in het zon en maan stelsel, het weer en waterstanden. Eigenlijk is het een planetarium in het klein. De laatste keer dat ik deze klok gezien heb was bij een zus van mijn grootvader, waar hij ook in de woonkamer stond. Met dien verstande dat het bovenste stuk (herkenbaar als de Arumer toren) er niet op stond gewoon omdat dit qua hoogte niet paste. Ik heb de klok al jaren niet meer gezien en ben benieuwd waar hij zich nu bevindt. Wie zal het zeggen?
Het lied ‘Mijn Grootvaders klok’ gaat kort gezegd over Grootvaders klok die negentig jaar bleef tikken, maar voorgoed stil bleef staan in de nacht van (de grootvader) zijn overlijden. Maar dat gaat zeker niet op voor mijn overgrootvaders klok, want Anne Bergsma leverde natuurlijk uitsluitend vakwerk, dus ik ben er van overtuigd dat hij nog altijd loopt…….. als een klok dus!